Wat een rare zaak is dit! Niet te volgen! Ik ben aan het googelen op Joris Demmink en kom bij een Volkskrantblog: http://volkskrantblog.nl/bericht/120154
Die pagina is leeg! Maar er heeft wel iets gestaan!
Google zegt: Is Mr. Joris Demmink een jongetjesbilletjesneuker? Gaat de beerput open? Geplaatst op 07-04-2007 16:56 door Rudolf Paul in categorie actualiteit ...
Het verhaal loopt van november 2002 tot oktober 2006. Het zijn stukjes uit Kleintje Muurkrant. Vanaf woensdag 8 oktober 2003 komt Secretaris Generaal Zonder Naam daar voorbij. Op 14 oktober 2003 heet hij al Joris D. Hij zou in Praag iets hebben gehad met jongetjes. En nu blijkt dus dat hij jaren lang om dezelfde reden werd gechanteerd door de Turken! Dit hele verhaal is een dusdanige kluwen, bijna niet te volgen!
http://alt-f4.org/ legt zelfs verbanden naar 11 september… via de Turks-Amerikaanse FBI-tolk Sibel Edmonds. Het gaat dan uiteraard over het corrupte Turkije.
En nu maar hopen dat de doofpot eindelijk helemaal open gaat!
haha, Mia en Ada, mea culpa, ik mocht van Maurice die jongetjesbilletjesneuker Joris Demmink geen viespiemel noemen, dat vond hij te schunnig, niet netjes. Ik heb het woord toen maar verwijderd van mijn blog:
http://www.volkskrantblog.nl/bericht/120292
Geplaatst door: Rudolf Paul | dinsdag 10 april 2007 om 9:23
Enige dagen na dato is het weer stil rond Joris Demmink. Google levert geen informatie meer op. De kranten zwijgen. Op Geen Stijl is de zaak gestikt in de doofpot.
Wapengekletter alom, het nieuws staat er bol van, maar seksueel geweld wordt gesmoord in het grote stilzwijgen…
Wordt Joris D. nu vervolgd, of horen we er niets meer van?
HOGERE STRAFFEN KINDERPORNO, MAAR NIET VOOR DEMMINK
De top van het Openbaar Ministerie heeft aangekondigd zwaardere straffen te gaan eisen voor mensen die kinderporno bezitten en/of verspreiden. Naar verluidt is dat gebeurt op aandringen van Officier Joost Tonino die weer geheel in genade is aangenomen en zich thans heeft ontwikkeld tot een ware bloedhond jegens alles en iedereen die te maken heeft met kinderporno. Hij schijnt in beslotenheid zelfs te pleiten voor de herinvoering van de doodstraf voor de schoften die zich met kinderporno inlaten! Ook de SG van Justitie Joris Demmink zou een van de instigatoren zijn van een nieuwe heksenjacht op pederasten. Jet ziet dat wel vaker: als er maar genoeg andere mensen worden vevolgd voor delicten waaraan de ‘top’ zichzelf ook schuldig maakt, geeft dat die top een soort ‘morele vrijbrief’ met hun seksuele perversiteiten door te gaan. “We doen er toch wat aan?” is dan de redenering. “We zetten ons er toch actief voor in dit kwaad uit de wereld te helpen en de zondaars te berechten?”
http://www.klokkenluideronline.nl/index.php
De advokaten van de koerd Baybasin hebben een kort geding aangespannen tegen Demmink.
Reden: Demmink heeft een bezoek gebracht aan de gevangenisafdeling waar Baybasin vastzit.
Hij bemoeit zich dus persoonlijk met de detentie van de Koerd.
Wat er besproken is is niet bekend.
Wel werd Baybasin enkele uren in ‘zn cel gezet zodat hij Demmink niet per ongeluk kon tegenkomen.
...dacht ik ook.
Of uitglijdt over het zeepje onder de douche.
Kan zomaar gebeuren.
Ik schreef net ergens anders :
===================
Want dat Turkse rapport is in handen van de advokaten van Baybasin.
En die gaan daamee de veroordeling van Baybasin aanvechten.
Baybasin die veroodeeld werd met duidelijk vervalst bewijs.
Dus bezocht Demmink de afdelingsleiding van de gevangenis.
Wat daar besproken is is niet bekend maar de advokaten “maken zich grote
zorgen “.
Geen Baybasin ---> geen proces ----> geen publiciteit over het
Turkse rapport----> Demmink uit de problemen.
Maar hopen dat die Baybasin gezond blijft tot na de herziening van z’n
veroordeling.
=====================
Deze zaak stinkt nog erger dan een beerput vol varkensgier! Op Kleintje Muurkrant heb ik de aangifte gedownload. Het is een Word document, het is ook nogal lang.
Het begint aldus:
Aangifte van strafbare feiten
aangever:
Hüseyin Baybasin,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden-Holland, locatie Alphen a/d Rijn,
ten deze vertegenwoordigd door:
de advocaten mr P.H. Bakker Schut en mevrouw mr. A.G. van der Plas, die bepaaldelijk zijn gevolmachtigd om deze aangifte te doen.
Inleiding
1. Aan deze aangifte ligt onder meer de navolgende documentatie ten grondslag:
a. het gehele strafdossier in de zaak Hüseyin Baybasin, waarin aangever bij arrest van 30 juli 2002 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch onder parketnummer 20.000493.01 is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, inclusief de stukken betreffende de behandeling van diens zaak door de Hoge Raad der Nederlanden en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens;
b. de concept-aanvraag tot herziening op grond van art. 457 Sv., de daarbij horende bijlagen, alsmede de daaromtrent en over de Commissie Posthumus gevoerde correspondentie met de Voorzitter van het College van Procureurs-Generaal;
c. het dossier van de civiele rechtszaak van H. Baybasin tegen de Nederlandse Staat en drs. A.P.A. Broeders ter zake van onder meer schadevergoeding wegens jegens Baybasin gepleegde onrechtmatige daden, ingeleid bij dagvaarding van 10 augustus 2004, in welke zaak de Staat thans voor dupliek staat;
d. een in de Turkse taal gesteld “Aanvullend Rapport” van januari 2007 van de Turkse overheid (65 pagina’s), welk rapport een soort uittreksel is van een (nog geheim) zeer uitgebreid rapport (naar verluidt ± 1000 pagina’s tellend) van 10 december 2006. Het uitgebreide rapport beschrijft en analyseert de rol van de Turkse staat, respectievelijk van Turkse overheidsfunctionarissen etc., in de internationale drugssmokkel tot eind jaren ’90. Het “Aanvullende Rapport” is met name toegespitst op de wijze waarop de Nederlandse strafzaak tegen aangever in elkaar is gezet via een complot tussen Turkse “belanghebbende kringen” en Nederlandse, Duitse en Engelse justitiële en politionele functionarissen.
Gezien de in het rapport beschreven wijze van onderzoek, de kennelijk vrije toegang tot (alle bronnen van) Turkse geheime diensten en de kennelijk benutte mogelijkheid om alle relevante Turkse overheidsfunctionarissen te ondervragen, alsmede gezien de “opdracht” aan:
1. het Hoofd van de Generale Staf;
2. de Hoofdcommissaris van politie;
3. de Procureur-Generaal van de Hoge Raad;
4. het Ministerie van Justitie,
om ter zake het nodige te ondernemen, met welke opdracht het rapport besluit, moet worden aangenomen dat dit rapport afkomstig is van het hoogste niveau van de Turkse staat, althans daardoor is geaccordeerd.
Bij gebreke van fondsen voor de verdediging van aangever ten gevolge van de nog steeds voortdurende beslagen door de Nederlandse overheid op alle bezittingen in Nederland en elders van de familie Baybasin. is het helaas niet mogelijk deze rapportage beëdigd te laten vertalen, zodat de hierna volgende Nederlandse citaten uit het rapport een door aangever met zijn advocaten en derden gemaakte provisorische vertaling betreft.
Aangever verzoekt de Nederlandse Staat het uitgebreide Turkse rapport, waarvan dit “Aanvullend Rapport” als een provisorisch uittreksel kan worden beschouwd, bij de ter zake bevoegde Turkse autoriteiten op te vragen om daarvan een beëdigde vertaling te kunnen laten verzorgen. Daartoe sluit aangever kopie van de kaft, de eerste en de laatste pagina van het “Aanvullend Rapport” ter identificatie bij. Bij deze stand van zaken lijkt het aangever onjuist om de originele Turkse versie van het “Aanvullend rapport” thans over te leggen.
2. Aangever is een vooraanstaande Koerdische zakenman en telg uit een van de voornaamste Koerdische families in het zuidoosten van Turkije. In zijn jeugd is aangever in dienst van de Turkse staat opgeleid. Gedurende zijn latere werkzaamheden voor de Turkse staat als politiek-economische functionaris van een geheime eenheid, heeft hij kunnen kennis nemen van de illegale activiteiten waaronder de deelname aan de handel in drugs, waaraan een groot aantal Turkse overheidsfunctionarissen zich in die tijd schuldig maakte. Deze gedetailleerde kennis over de betrokkenheid van de Turkse staat bij de drugshandel, heeft aangever - nog vóór het Susurluk incident en de nasleep daarvan - na zijn vlucht uit Turkije begin jaren negentig uitvoerig in diverse buitenlandse media geëtaleerd. Nadat hij in 1984 in Engeland was gearresteerd en na enkele jaren door bemiddeling van de Turkse overheid weer was vrijgelaten, heeft hij na terugkeer in Turkije geweigerd om verdere (geheime) activiteiten voor de Turkse staat te verrichten en is hij zich in toenemende mate gaan inzetten voor de zaak van de Koerdische beweging. Vanaf dat moment is hij in Turkije aan willekeurige strafvervolgingen bloot gesteld geweest, in het kader waarvan hij aan diverse soorten martelingen is onderworpen, en ook zijn er moordaanslagen op hem gepleegd, waarna aangever eerst in Turkije is ondergedoken en vervolgens uit Turkije is gevlucht. Aangever heeft in de jaren na zijn vlucht uit Turkije en tot zijn arrestatie in Nederland in maart 1998 substantiële ondersteuning gegeven aan de Koerdische beweging en is bijvoorbeeld ook opgetreden als één van de oprichters van het in Brussel gevestigde Koerdische parlement in ballingschap.
3. In 1995 verzocht Turkije de Nederlandse autoriteiten om de uitlevering van aangever, die op dat moment in Nederland verbleef. Bij vonnis d.d. 28 oktober 1997 verbood de kort gedingrechter te Den Haag de Minister van Justitie gevolg aan dit inmiddels toegestane verzoek van Turkije te geven op grond van eerder plaatsgevonden martelingen van aangever in Turkije en het reële gevaar van herhaling hiervan gezien aangevers betrokkenheid bij oppositionele Koerdische groeperingen.
4. Vanaf 1996 werd er door de criminele inlichtingendienst van het politieteam IRT Noord Oost Nederland beweerdelijk anonieme informatie ontvangen over mogelijke betrokkenheid van aangever bij grootscheepse heroïnehandel. Op basis hiervan is in september 1997 een gerechtelijk vooronderzoek tegen aangever in Nederland geopend en zijn beweerdelijk door aangever gevoerde telefoongesprekken via het Nederlandse telefoonnet afgeluisterd. Op 15 juli 1997 werd in een interne notitie van het Nederlandse Ministerie van Justitie vermeld dat de zaak Baybasin werd gebruikt als drukmiddel teneinde in een andere zaak iets van de Turkse autoriteiten gedaan te krijgen. Op 28 maart 1998 werd aangever in Nederland gearresteerd op verdenking van de feiten waarvoor hij bij bovenvermeld arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch tenslotte is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
Complot
5. Inmiddels is gebleken dat de vervolging van aangever is voortgekomen uit een complot tussen enerzijds Turkse “belanghebbende kringen”, waaronder hoge tot zeer hoge ambtenaren en zelfs ministers, anderzijds (onder meer) Nederlandse hoge tot zeer hoge (politie- en justitie-)ambtenaren.
In het hierboven vermelde “Aanvullend Rapport” van de Turkse staat wordt beschreven dat de onderzoekers alle details over de zaak Baybasin hebben onderzocht, dat zij in Turkije, maar ook in Nederland, Duitsland en Engeland onder meer vele politiemensen, geheime-dienstfunctionarissen en justitiële ambtenaren en magistraten hebben gesproken, dat zij de dossiers Baybasin hebben onderzocht alsmede daarop betrekking hebbende notities van Turkse, Engelse, Duitse en Nederlandse functionarissen en dat dit alles ervoor heeft gezorgd “dat wij stuitende feiten hebben ontdekt. Wij zijn erachter gekomen dat de zaak Baybasin geen juridische kwestie is, maar dat het hier gaat om een complot”. In dat verband wordt de kwestie Baybasin “een aaneenschakeling van grove schandalen” genoemd, waarvoor met name het Nederlandse Openbaar Ministerie verantwoordelijk wordt gehouden.
6. In het “Aanvullend Rapport” wordt verwezen naar het geruchtmakende Susurluk-incident (1996), “waarbij de connecties tussen de maffia en de politiek aan het licht kwamen, en het misbruik dat verantwoordelijke personen en instanties van hun bevoegdheden maakten, met name in verband met drugstransporten door Turkije”.
Vermeld wordt dat de destijdse publieke beschuldigingen van Hüseyin Baybasin over de daarbij betrokken overheidsinstanties en –personen van groot belang zijn geweest voor de totstandkoming van de destijds als schokkend ervaren officiële Susurluk-rapportage ter zake. In dat verband wordt het “een feit van algemene bekendheid”genoemd dat de handel in verdovende middelen “wordt geleid door belanghebbende kringen waarin zich ook diverse ambtenaren van overheidsinstanties bevinden”. En even verderop: ”Kringen die betrokken zijn bij het drugsverkeer dat door Turkije gaat, hebben, met een beleid waarbij enerzijds officiële personen en instanties die hier belang bij hebben en anderzijds bendes die zijn gebaseerd op etnische groeperingen binnen Turkije op verschillende manieren werden ondersteund, geprobeerd om een economische fundering te leggen voor separatisme.”
Vervolgens wordt in diverse bewoordingen en met nadruk gesteld dat “de familie Baybasin zich ver van beide constructies heeft weten te houden, hetgeen de reden is geweest dat zij het doelwit zijn geworden van belanghebbende kringen (onderstreping aangever)”.
7. In dat verband wordt in voormeld rapport beschreven dat
“De relatie tussen de Baybasins en de PKK bestaat uit de contacten die Hüseyin Baybasin in de jaren 1996, 1997, 1998 heeft gelegd op verzoek van Turkije. Hüseyin Baybasin heeft toen, terwijl hij in Nederland was, op verzoek van de militaire autoriteiten in Turkije contact opgenomen met Abdullah Öcalan, en heeft bemiddeld in de besprekingen om te komen tot een onvoorwaardelijke wapenstilstand van de organisatie en de overkomst van Öcalan rechtstreeks naar Turkije. Deze besprekingen, die tot stand werden gebracht door bemiddeling van Hüseyin Baybasin, hebben plaatsgevonden in Nederland op verzoek van defensie tussen de vertegenwoordiging van de PKK in Europa en een delegatie van de Generale Staf. Details over deze besprekingen zijn vastgelegd door de veiligheidsinstanties en de inlichtingendienst van ons land. Het doel van de besprekingen waarbij Baybasin als bemiddelaar is opgetreden was het bewerkstelligen van tussenkomst van Abdullah Öcalan om te komen tot een onvoorwaardelijke wapenstilstand van de organisatie en dat Öcalan zich rechtstreeks zou overgeven aan Turkije. Daarvoor is door partijen zelfs een protocol ondertekend. Dit plan had tegelijkertijd de bedoeling een einde te maken aan het Koerdische vraagstuk dat telkenmale in ons land weer werd opgerakeld. Echter, belanghebbende kringen die zich stoorden aan dit proces hebben in Duitsland, Engeland en Nederland hun plannen uitgevoerd om dit proces te verhinderen.”
Vervolgens wordt kort beschreven op welke geraffineerde wijze dit vredesplan is getorperdeerd door de betrokken “belanghebbende kringen”, met als conclusie:
“Hüseyin Baybasin is gestraft omdat hij bij deze besprekingen heeft bemiddeld. Hij is korte tijd voordat Öcalan Syrië heeft verlaten in de maand maart van het jaar 1998 gearresteerd. De details van dit proces bevinden zich in de archieven van ons land. Baybasin heeft met de belangen van ons land voor ogen bemiddeld bij besprekingen die tot doel hadden ons land te verlossen van de ellende van de terreur die over het land is gekomen. Hij is gewoon afgestraft door belanghebbende kringen die bang waren dat zij als dit plan zou worden uitgevoerd, het internationale drugsverkeer niet meer onder hun controle zouden kunnen houden. De behandelingen waaraan hij in de jaren na 1998 in de gevangenis is blootgesteld, zijn een blijk van deze op hem genomen wraak.”
Even verderop, onder verwijzing naar het eigenlijke rapport, wordt vermeld:
“In dit door ons instituut opgemaakte rapport worden de details onderzocht van het complot dat door internationale kringen van belanghebbenden stap voor stap tegen de familie Bayabasin is geweven. Dit rapport toont met het belang van ons land voor ogen aan hoe ambtenaren die functies bekleden bij diverse staatsorganen en die banden hebben met internationale kringen van belanghebbenden hun bevoegdheden hebben misbruikt.
In dit rapport wordt geen enkele persoon, personen of instanties beschuldigd op basis van beweringen en/of geruchten. Vele verklaringen van verdachten die aangeven dat zij schuldig zijn, zijn zonder zelfs maar één komma te wijzigen, opgenomen in het rapport. De in het rapport genoemde onderwerpen zijn voor een groot deel in rapporten opgesteld en gedocumenteerd door medewerkers van desbetreffende en bevoegde instanties. Bekend is dat op basis van deze rapporten bestuurlijke procedures plaatsvinden waarbij tevens aanklachten zijn ingediend en door het openbaar ministerie gerechtelijke procedures aanhangig zijn gemaakt. Vastgesteld is immers dat met betrekking tot deze feiten soms niet op waarheid berustende beweringen worden gedaan. Vanuit dit opzicht is het onvermijdelijk om hier middels een waarschuwend voorwoord op te wijzen. In de Turkse publieke opinie en ook in de mondiale publieke opinie is het van algemene bekendheid dat in de laatste vijftig jaar sommige leiders, sommige medewerkers van instanties in Turkije zich met zeer smerige zaken hebben ingelaten. Nog steeds zijn er enkelen die deze illegaliteit bedrijven. Deze onregelmatigheden vinden zelfs in het jaar 2006 nog steeds plaats. Bekend is dat naast deze bendes in het verleden ook ministers, volksvertegenwoordigers, politici, vooraanstaande bureaucraten, industriëlen en zelfstandige ondernemers in dit soort zaken waren verwikkeld.”
8. Het “Aanvullend Rapport” memoreert vervolgens:
“De onderhandelingen tussen Nederland en de gemachtigden in Turkije, die connecties hadden met de bende, worden gedocumenteerd door één van de documenten uit de dossiers in de zaken tegen Hüseyin Baybasin, met het briefhoofd van het Nederlandse ministerie van justitie. Volgens het document d.d. 15 juli 1997 met het briefhoofd van het ministerie van justitie is er een telefoongesprek geweest in dit ministerie binnen het team dat de operatie uitvoerde: “De zaak Baybasin wordt gebruikt als drukmiddel ‘teneinde in een andere zaak iets van de Turkse autoriteiten gedaan te krijgen’. Op dit moment wordt hierover overleg gevoerd door BuiZa. Aangezien dhr. Demmink donderdag op vakantie gaat, zal gepoogd worden om uiterlijk donderdagochtend de besluitvorming af te ronden.” ”
Voorts verwijst het rapport naar “onderhandelingsdocumenten van Interpol Turkije-Nederland waaruit blijkt dat Nederland betrekkingen heeft met een bende in Turkije”.
Vervolgens wordt naar aanleiding van voormelde notitie van het Nederlandse ministerie van justitie opgemerkt:
“En het geval waarvoor dit drukmiddel tegenover de Turkse bevoegde autoriteiten werd gebruikt heeft te maken met de in het document genoemde Joris Demmink. Demmink komt in de Nederlandse hiërarchie als Secretaris-Generaal van het Ministerie van Justitie op de tweede plaats na de minister. De naam Demmink is in Nederland in opspraak geraakt doordat bekend werd dat hij, buiten de uitvoering van zijn functie, betrokken was in schandalen inzake seks die hij had met jonge kinderen en jongens. Toen de Nederlandse pers uitgebreid over de perverse seks”party’s” van Demmink in de Republiek Tsjechië en in Roemenië begon te publiceren, is hierop een publicatieverbod uitgevaardigd, duidelijk is dat men heeft geprobeerd de zaak in de doofpot te stoppen.
Bovendien was er, volgens informatie die wij tijdens ons onderzoek ter beschikking hebben gekregen nog iets dat niet tot de Nederlandse pers was doorgedrongen; Demmink had ook in Turkije soortgelijke “party’s” gerealiseerd.
Omdat in 1995 in Bodrum tijdens zo’n “party” een wapen afging, is de politie ter plaatse gekomen. Gemeld wordt dat over de door de bende, die de internationale drugshandel regelt, met behulp van hun ondersteuners uit ambtenarenkringen, in Turkije georganiseerde “party” gedetailleerde informatie is verstrekt aan en dat het is geregistreerd door de Turkse veiligheids- en inlichtingendiensten.
De poot van de bende in Turkije die zich stoorde aan de tegelijkertijd plaatsvindende openbaringen van Baybaşin met betrekking tot de internationale drugshandel heeft gebruik gemaakt van dit voorval. Duidelijk is dat het complot dat stap voor stap via deze keten van belanghebbenden is opgezet, is overgegaan in een operatie van belanghebbende kringen die de internationale drugshandel onder controle hebben.
Hoewel dit complot teruggaat totdat Hüseyin Baybaşin in 1995 naar Nederland kwam, is duidelijk dat de eerste concrete stappen in 1996 zijn gezet. Het is duidelijk dat de openbaringen van Baybaşin in die periode in de Turkse gesproken en geschreven pers over drugshandel die plaatsvindt van het Midden Oosten naar Europa en Amerika, grote onrust teweeg hebben gebracht bij de grote bendes in de drugswereld.
Uit al bekende publicaties en uit informatie en documenten uit de Berechtingsdossiers blijkt dat dit complot door drugsbaronnen is opgezet en uitgevoerd, en is “opgebouwd langs een traject Nederland-Turkije”. Volgens de gegevens die uit de details en de bevindingen in de dossiers naar voren komen, blijkt duidelijk dat de opzetters van het complot een weg hebben bewandeld van “het signaleren en vervolgen van zogenaamde schuldigen, het voorbereiden van beschuldigingen in Turkije, en de vervolging ervan in Nederland laten plaatsvinden.”.
En verderop:
“Aan de zijde van Nederland is door minister van justitie Winnie Sorgdrager en haar assistent Joris Demmink de zaak aan het rollen gebracht toen de door Hüseyin Baybasin van drugshandel beschuldigde directeur-generaal van politiezaken Mehmet Agar en premier Tansu Ciller begin 1997 met de Nederlandse minister van justitie Sorgdrager hebben gesproken en Tansu Ciller heeft verklaard dat Baybasin, die haar had beschuldigd, “tot zwijgen gebracht moest worden”. Blijkens hetgeen dat daar is besproken en de informatie uit verklaringen heeft Tansu Ciller toen het dossier Demmink op tafel gelegd. Bekend is dat er in die periode berichten in omloop werden gebracht over Demmink dat hij “in Roemenië en in Tsjechië seks had met kinderen”. Bovendien was dit in een periode dat Demmink’s baas minister Sorgdrager ook al in de problemen was geraakt door een kwestie van 15 ton cocaïne. Zoals bekend, is Nederland een belangrijk centrum voor de Europese drugshandel en worden in dat land “soft drugs” als hasj vrij verkocht in “koffieshops”. Nederland genereert een grote bron van inkomsten uit de hoge belastingen die over deze verkoop worden geheven.Gezegd wordt dat Sorgdrager over de kwestie van de 15 ton cocaïne waarover naar de pers is uitgelekt zou hebben gezegd: “De ambtenaren hebben mij verteld dat het niet om cocaïne ging, maar om hasj” waarmee zij enerzijds ook een bekentenis aflegt, anderzijds zegt dat hasj vrij is, en dat zij verwachtte niet te zullen worden gestraft.
Joris Demmink, die zich speciaal heeft beziggehouden met de zaak van Hüseyin Baybasin in Nederland, is in november 1995 als toerist hier geweest en in juni 1996 in Antalya voor een internationale bijeenkomst. Daarnaast is hij Turkije in- en uitgereisd in de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en meestal wiste hij zijn sporen. Deze gegevens zijn verzameld bij officiële en speciale inlichtingendiensten. Er is ook geconstateerd dat hij onder verschillende namen Turkije is binnengereisd.
Eveneens met betrekking tot hetzelfde onderwerp geeft Demmink, gevolg gevende aan het genomen besluit, aan de Officier van Justitie Hillenaar “opdracht om met Ferruh Tankuş te spreken”. Gebleken is dat dit gesprek heeft plaatsgevonden ongeveer zes-zeven maanden voordat Hüseyin Baybaşin in maart 1998 werd aangehouden en na het gesprek tussen Minister Sorgdrager en Tansu Çiller. Terwijl in het gesprek Hillenaar-Tankuş werd gepland “welk delict voor Baybaşin zou worden gerealiseerd om de operatie uit te voeren”.
Voor zover duidelijk zou met het voor Hüseyin Baybaşin opgezette scenario en het plan van het scenario, Turkije het land zijn waar het delict zogenaamd is gepleegd, en Nederland het land waar de vervolging zou worden ingesteld. Duidelijk is dat terwijl de veiligheidsdiensten van beide landen gewoon hun werk deden, het plan stap voor stap is opgebouwd om Hüseyin Baybaşin, die openbaringen deed over de organisaties die zich schuldig maakten aan internationale drugshandel, het zwijgen op te leggen, zodat de smokkel gemakkelijk en op een nog meer gecontroleerde wijze via het traject Turkije door zou kunnen gaan. “Uit Turkije worden, via gesprekken met Tankuş” aan Nederland archieven met telefoongesprekken verstrekt, waarvan wordt gesteld dat zij afkomstig zijn uit telefoontaps uit onderzoek op Baybaşin van de Turkse veiligheidsdiensten daterend van 1989 tot 1997.
Die gesprekken onder de loep nemende, blijkt dat er een scenario is opgezet waarbij de gesprekken die voor 1997 zijn gevoerd zijn “gemixt” alsof ze na 1997 hebben plaatsgevonden en dat ze zodanig zijn “gemonteerd” dat het lijkt alsof een misdrijf is gepleegd. Onze constateringen en waarnemingen zijn gedetailleerd en duidelijk. De “mixing-” en “montagewerkzaamheden” van de telefoongesprekken zijn door internationale deskundige instanties bewezen (met op 11 april 2003 door B.R. Dickey van de instantie genaamd DABRE, op 27 juni 2004 door de deskundige technicus J.W.M. von de Ven, op 6 december 2004 van John Beerends van de instantie genaamd TNO Telecom te Delft opgemaakte deskundige onderzoeksrapporten), de documenten daarvan zijn in de gerechtelijke dossiers te zien. Desondanks wilden de Nederlandse instanties dit bewijsmateriaal niet accepteren. Voordat de telefoongesprekken aan de rechter die de aanhouding van Hüseyin Baybasin heeft bevolen zijn voorgelegd, is aan deze rechter informatie gegeven over Hüseyin Baybasin, die zou worden “gezocht” als verdachte in de zaak van het schip de Lucky S, waarin 20 ton drugs werd gevonden, waardoor de rechter is beïnvloed. Destijds had evenwel zelfs met een eenvoudig onderzoek door de rechtbank vastgesteld kunnen worden of Hüseyin Baybaşin in die tijd inderdaad werd gezocht in verband met de zaak van het schip Lucky S.”
9. Met betrekking tot de manipulatie van telefoontaps geeft het “Aanvullend Rapport” onder meer het volgende voorbeeld:
“Toen Hüseyin Baybasin in 1992 nog in Turkije verbleef heeft hij een telefoongesprek gehad met de advocaat Necmettin Yildiz. Dit gesprek is door de Nederlandse officier van justitie zo gemanipuleerd dat het net lijkt of dit gesprek eind 1997 in Nederland heeft plaatsgevonden en niet in 1992. Dit gemanipuleerde gesprek is als bewijsmiddel tegen Baybasin gebruikt. We hebben vastgesteld dat dit gesprek met advocaat Necmettin Yildiz met een aantal taps van andere telefoongesprekken door Turkse functionarissen uit hun archieven ter informatie aan Nederlandse instanties is gegeven. Aan Nederland is informatie gegeven ten behoeve van inlichtingendiensten, en daarvan is vastgesteld dat een aantal telefoontaps als bewijs zijn gebruikt, waarvan het lijkt of de gesprekken tussen 1997 en 1998 hebben plaatsgevonden. Dit is niet alleen een schandaal maar ook een strafbaar feit. In naam van de staat strafbare feiten plegen en iemand ten onrechte als schuldige aanwijzen is voor een land als Nederland, dat Turkije op juridisch gebied en op het gebied van mensenrechten de les wil lezen, ethisch onaanvaardbaar, vooral omdat de klacht die is ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gegrond is verklaard. Wat ter discussie staat, is de definitie van recht en de ethische kant van deze zaak. De sterkste heeft gelijk gekregen, en degene die eigenlijk gelijk had moeten krijgen maar niet sterk was, is schuldig verklaard. In naam van de staat is er onrechtvaardig gehandeld. Overheidsfunctionarissen hebben hun macht misbruikt uit eigenbelang en Baybasin en zijn familieleden wreed onderdrukt, en afgeschilderd als vijanden.”