Op 6 en 9 augustus 1945 wandelde de wereld met twee explosies het “atoomtijdperk” binnen. De Tweede Wereldoorlog werd definitief beslist met het wapen dat de naoorlogse wereld in haar greep zou houden: de atoombom. Vanaf dat moment raakten de overgebleven wereldgrootmachten verwikkeld in een “race naar bom”, met de waanzinnige nucleaire arsenalen die op onze planeet aanwezig zijn als gevolg. Een vrij onbekend WWII feitje is dat de “race naar de bom” al voor het Amerikaanse „Manhattan Project“ begon. Het startschot werd in 1938 gegeven door de Duitse wetenschappers Lise Meitner en Otto Hahn. Drie spelers waren in de Tweede Wereldoorlog actief bezig met de ontwikkeling van atoomwapens: de VS, Duitsland en……Japan. Een onbekende geschiedenis en daarom gevoelig voor geschiedvervalsing. Zoals vaker met WWII zaken, als het uitkomt, gebeurt.
Als in december 1938 de Duitse wetenschappers Otto Hahn en Fritz Strassmann, met hulp van de naar Zweden gevluchte Lise Meitner (zij is joodse en landloos geworden na de Oostenrijkse Anschluss), bekend maken dat zij barium hebben ontdekt na het bestoken van uranium met neutronen, is de race naar de atoombom begonnen. Na een zoektocht van jaren is kernsplijting/reactie een feit en onmiddellijk wordt het militaire potentieel door verschillende partijen onderkend. Al in 1939 geeft bijvoorbeeld de Amerikaanse president Roosevelt opdracht de mogelijkheden voor „fission weapons“ te onderzoeken.
De nazies waren al voor de ontdekking van Hahn en Strassmann georganiseerd bezig met het onderzoeken van nucleaire energie en atoomsplijting via de zogenaamde „Uranverein“, een groep wetenschappers die zich bezighield met de „gewapende“ toepassing van het splijten van uranium. De vereniging valt in augustus 1939 uit elkaar als enkele wetenschappers voor militaire dienst worden opgeroepen, maar het project wordt op 1 september 1939 (het officiële begin van de Tweede Wereldoorlog) opnieuw opgestart via „Uranverein II“. De Duiters zullen tijdens de oorlog niet verder komen dan het verrijken van uranium, al zijn er genoeg geruchten over een werkelijke „Duitse bom“. De Duitse militaire top ziet voor een atoombom echter geen beslissende rol in de oorlog weggelegd en de „Uranverein“ versplintert in verschillende projectgroepen. Een beslissing waar in de laatste dagen van de oorlog op wordt teruggekomen.
De tweede partij die in WWII op zoek gaat naar de „bom“ zijn natuurlijk de Amerikanen. Geholpen door uit Duitsland gevluchte wetenschappers of in Duitsland opgeleide wetenschappers (Oppenheimer) beginnen zij in 1939 met onderzoek (het Manhattan project is genoemd naar het hoofdkwartier van de U.S. Army Corps of Engineers North Atlantic Division, onder wiens leiding het project aanvangt) uit angst dat de Duitsers succesvol een „atoomwapen“ zouden ontwikkelen. Na een enorme krachtsinspanning (inzet 130.000 medewerkers) lukt het de Amerikanen in 1945 een uranium-235 bom en een plutonium-239 bom te ontwikkelen (rep. Little Boy voor Hiroshima en Fat Man voor Nagasaki). Pikant genoeg starten in 1941 de Russen met onderzoek naar een „bom“, onder leiding van Igor Kurchatov, geholpen door Russische spionnen binnen het Manhattan Project.
Maar een derde (of vierde) partij begint ook in 1939 met onderzoek naar de bom. Japan. Dr.Yoshio Nishina, een atoom-pionier, vriend van Nils Bohr en medewerker van Einstein, wijst op het Amerikaanse onderzoek naar de atoombom en de mogelijke Amerikaanse inzet van een dergelijk wapen tegen Japan. In 1940 krijgt hij het groene licht om te beginnen met onderzoek en het ontwikkelen van „wapen-bruikbaar“ materiaal. Nishina bouwt zogenaamde cyclotrons, of deeltjesversnellers, om wapenvaardig uranium of plutonium te ontwikkelen en zijn werk wordt opgepikt door de Japans marine, dat via het project F-go begint met onderzoek. Het moment dat de „conspiracy theory“ over de Japanse atoombom begint.
U-234
Op 25 maart 1945 verlaat de Duitse U-boot U-234 de Duitse haven Kiel. De U-234 is letterlijk de laatste in zijn soort. Een van de grotere types U-boot welke tot dat moment de oorlog nog heeft overleefd. Het schip heeft aan boord een wel heel bijzondere lading: een complete ME-262 Messerschmitt straaljager, onderdelen voor V-2 raketten, twee Japanse officieren en 550 kilogram uraniumoxide, genoeg voor twee atoombommen. De U-234 is op een geheime missie met uiteindelijk reisdoel: Japan. Op 15 april verlaat het schip de Noorse haven Kristiansand en blijft twee weken onder water met geen enkel contact met de buitenwereld. Wanneer het weer aan het wateroppervlak komt om radiosignalen op te vangen, onstaat een verwarde situatie. Het derde rijk blijkt niet meer te bestaan. Alle U-boten krijgen het bevel zich over te geven aan de geallieerden. U-234 capituleert in de buurt van het Canadese Halifax, waar de Amerikaanse coast guard U-234 naar haven begeleid (de twee Japanse officieren hebben harakiri gepleegd). Als de lading van de U-boot wordt ontdekt, blijkt U-234 een gouden buit. Ongeveer alles wat er aan Duitse technologie buit te maken valt, is aan boord. Inclusief complete bouwplannen. Volgens de legende werd het uranium-oxide onmiddellijk afgevoerd richting Los Alamos om gebruikt te worden bij het Manhattan Project. De lading die bestemd was voor Japan zou uiteindelijk in de bommen voor Hiroshima of Nagasaki worden verwerkt.
Hungnam
Het doel van de lading van de U-234 laat zich makkelijk raden. Een laatste wanhoopspoging van de nazies om hun bondgenoten in Japan te helpen aan een atoomwapen. Maar hoe ver waren de Japanners in 1945 eigenlijk met hun eigen ontwikkeling? Volgens de officiële lezing niet ver. In Tokio werd het belangrijkste onderzoekcentrum van de Japanners gebombardeerd en vernietigd. Na de oorlog namen de Amerikanen welliswaar vier cyclotrons in beslag (een vijfde zou verdwenen zijn) maar aanwijzingen dat de Japanners verder waren dan het mogelijk verrijken van uranium zijn er niet. Er zijn nog door de Japanners, bevestigde, pogingen gedaan om op de zwarte markt in China aan uranium te komen, en Duitsland stuurde eerdere scheepsladingen (die nooit zijn aangekomen), maar een werkend wapen is er nooit gekomen.
Tot in 1946 de journalist David Snell een sensationeel stuk publiceert. Snell was na de oorlog ingedeeld bij een onderzoeksteam van het Amerikaanse leger in Korea en ontdekte na ondervraging van een Japanse officier dat Japan wel dergelijk een atoombom heeft ontwikkeld. En deze zelfs heeft getest. In het Koreaanse Hungnam zou het F-go project wel succes hebben gehad, wat, volgens de journalist, zou hebben geleid tot de Russische oorlogsverklaring aan Japan en de snelle aanval van Russische troepen op het Koreaanse schiereiland. De Russen wilden de Japanse nucleaire technologie buitmaken. Japanse wetenschappers zouden zijn gevangengenomen en via marteling hun „atoomgeheimen“ aan de Russen hebben prijsgegeven. Het verhaal van Snell mist echter iedere onderbouwing of bewijs. Toch zal de „Urban Legend“ jaren blijven voortsluimeren tot zestig jaar later geprobeerd zal worden de Snell versie waarheid te laten worden.
In 1985 publiceert journalist Robert Wilcox het boek “Japan’s Secret War: Japan’s Race Against Time to Build Its Own Atomic Bomb“ waarin Wilcox het verhaal van Snell onderschrijft en stelt dat Japan erg dicht bij een eigen bom was. Wilcox haalt verschillende inlichtingenbronnen aan (en komt tot de conclusie dat Amerikaanse inlichtingendiensten niets wisten van het Japanse programma!), gebruikt een gevonden bouwtekening als sluitend „bewijs“ en stelt tussen de regels door dat het afwerpen van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki een noodzaak waren. De Japanners stonden namelijk op het punt hetzelfde te doen. Het boek wordt door historici neergesabeld.
Dit weerhoud het Amerikaanse „The History Channel“ er niet van om een spectaculaire documentaire over de „Japanse Atoombom” te maken, gebaseerd op Wilcox bevindingen. Mythe wordt mainstream gemaakt. De documentaire is een treffend voorbeeld hoe slecht historisch onderzoek toch als “waarheid” wordt gepresenteerd aan een miljoenenpubliek dat daarmee de onderliggende boodschap, de atoombommen waren absoluut noodzakelijk, ongemerkt tot zich neemt. Bedenkelijk en zeker geen „onschuldige fout“ van The History Channel. Zeker als bijvoorbeeld ook The New York Times in de melee springt met een wel erg verdachte (en onsmakelijke) aanhef. Geschiedenis begint politiek te worden.
Helaas is de „Japanse atoombom“ slechts een, hoewel fascinerend en waarheidbevattend, voorbeeld hoe soms geschiedenis wordt gemanipuleerd.
Tot dan toe ben ik van de lezing uitgegaan dat het onnodig machtsvertoon zou zijn geweest en dat de Jappanners meerdere malen hun nederlaag hadden aangeboden.Op de basisschool en middelbareschool heb ik te horen gekregen dat 1 stad niet genoeg was, ze capituleerden niet, toen ging er nog een bom...
Wilcox haalt verschillende inlichtingenbronnen aan (en komt tot de conclusie dat Amerikaanse inlichtingendiensten niets wisten van het Japanse programma!), gebruikt een gevonden bouwtekening als sluitend „bewijs“ en stelt tussen de regels door dat het afwerpen van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki een noodzaak waren. De Japanners stonden namelijk op het punt hetzelfde te doen.
Donkerdoorn | 07-09-2008 20:54
@Fra. Wat ik probeer aan te geven, is dat het verhaal van Snell en Wilcox met graagte opeens wordt aangrepen om een "we moesten wel, anders nukten ze ons" scenario te verkopen
De hersengarage van Zapruder Inc.
George W. & Co. veroordeeld
De massavernietigingsonderbroek
Hoe Italië, Griekenland en België de Euro binnen werden gerommeld
Euro-crisis update: the song remains the same