Met het in werking treden van het Verdrag van Lissabon is de Europese Unie ook een militair bondgenootschap geworden. Weliswaar een soort “schaduw” NATO (de meeste EU-lidstaten zijn ook NATO-lid), maar desalniettemin een ambitieus bondgenootschap. Gekoppeld aan de Europese dienst voor extern optreden, ofwel de Europese dienst voor Buitenlandse Zaken onder BZ-min Ashton, en onder bevel van de Europese Raad zijn verschillende EU-"battlegroups" het militaire gezicht van de Unie. Met een “Europese leger”, zo staat in het Verdrag van Lissabon, ontstaat een gemeenschappelijke Europese veiligheids- en verdedigingspolitiek en kan de EU ingrijpen bij rampen, in internationale conflictgebieden en deelnemen aan de bestrijding van terrorisme. Tot zover niets nieuws onder de zon, ware het niet dat de artikelen in het Verdrag van Lissabon (art 42 t/m 46) betreffende de militaire samenwerking voor een groot gedeelte mede vorm zijn gegeven door de Europese wapenindustrie. Europa zou Europa niet zijn als corporatische lobby niet opeens tot wet wordt. Tel hier talloze denktanken die invloed uitoefenen op Brussel, de belangen van de NATO zelf en de immer nijpend-wordende energiezekerheid van Europa bij op, en de EU is hard op weg een “full-blown” agressieve militaire grootmacht te worden.
Een van de grote winnaars van het Verdrag van Lissabon is de Europese wapenindustrie. Slinks via het European Defence Agency, een officieel EU orgaan, heeft de wapenlobby plotseling een enorme invloed op nationale en Europese defensiepolitiek. Het EDA is het kindje van Javier Solana, de oud NATO-man, dat na druk vanuit wapengiganten BAE Systems, Thales en EADS in het leven werd geroepen. Naar artikel 42.3 van het Verdrag van Lissabon dat lidstaten verplicht hun militaire capaciteiten te verbeteren (lees: meer militaire uitgaven. Zie ook bv Griekenland, grootverbruiker van militair materiaal, dat vrijwel niet bezuinigt op defensie), zal het European Defence Agency de coordinatie van uitgaven, ontwikkeling en behoeften op zich nemen.
Maar het orgaan kijkt niet alleen naar de defensiepolitiek van de verschillende individuele Europese lidstaten. Aan de andere kant van het spectrum “helpt” het EDA de industrie om deuren te openen bij verschillende regeringen en zo contracten af te sluiten. Kortom, de European Defence Agency is een officieel Europees orgaan dat fungeert als brug tussen lobby en regering. Het is daarom niet verwonderlijk dat het EDA een vergaarbak is van lobbyisten, wapenindustrie experten (Alexander Weis), militairen en (defensie)politici.
Een volgende draaideur opent het EDA richting de verschillende denktanken, waarin veelal bekende namen opduiken (Solana, Weis), die het Europese militaire beleid (mede) vorm geven. De lijn van denktank-publicatie tot officiële EU-beleidsnota is duidelijk te herkennen.
Al voor het in werking treden van het Verdrag van Lissabon worden de kansen en bedreigingen van het “nieuwe” Europa in kaart gebracht en de diplomatieke- en militaire noodzaken benoemd. Het “Solana” werk “A secure Europa for a better world” (PDF) legt bijvoorbeeld de eerste grondstenen voor de latere artikelen in “Lissabon” ten aanzien van het internationaal optreden van de EU op diplomatiek en militair vlak. Sleutel is de energie-afhankelijkheid van Europa en de daarmee samenhangende noodzaak tot uitbouw van militaire capaciteiten. Solana noteert daarom “dat een Unie met 25 lidstaten en een gezamenlijk defensiebudget van 160 miljard in staat moet zijn op meerdere fronten te opereren”, waarbij zelfs de “pre-emptive strike” niet uit de weg kan worden gegaan. Dit alles in nauwe samenwerking met de NATO.
Het is niet bepaald toevallig dat Solana én oud NATO-chef is én verbonden is met de denktank Security & Defence Agenda (waar we ook Jaap de Hoop Scheffer weer terugvinden). De “opbouw” van de Europese militaire macht via het Verdrag van Lissabon is vooraf duidelijk gekoppeld aan de NATO-strategie. Dit blijkt onder andere uit het “Berlin Plus” verdrag maar ook uit de verschillende EU-missies. De NATO kan namelijk terugvallen op decennia aan coordinerende ervaring (tussen de strijdkrachten van verschillende landen), terwijl de EU nog experimenteert met de EU-battlegroups. In Afghanistan levert de EU daarom de Europol missie (training van politie), in het oostelijk deel van de Middellandse Zee staan marine-operaties onder Amerikaanse vlag en ook in de Golf van Aden (operatie Atalanta) wordt samengewerkt met de Amerikanen bij de “bestrijding van piraten”. Een “Nordic Battlegroup”, gevormd 2011, ligt het eigenlijke commando bij de NATO en dient de groep eigenlijk NATO doelen en strategieën (militarisering van de Noordpool). Zoals de Europese president Van Rompuy op de NATO-top in Lissabon, na de nodige adviezen uit denktanken, opmerkt: “The ability of our two organizations to shape our future security environment would be enormous if they worked together. It is time to break down the remaining walls between them.”
De strategieën en doelen van NATO en de EU zijn dus vrijwel identiek. Toegang tot grondstoffen, handelswegen, terrorisme, cyber-oorlog. Of het beleidspapier vanuit de NATO komt of van de EU en haar denktanken, het “leitmotiv” is dezelfde. Alleen de “verpakking” verschilt. Wie nog eens kijkt naar de EU-missies ziet dat de EU inderdaad vooral in grondstofrijke gebieden actief is. Alleen kleeft er meestal het stickertje “humanitaire missie” op (zoals dus ook omschreven in het Verdrag van Lissabon). Afghanistan voor toegang naar Turkmenië, Middellandse Zee ter zekering van alles wat door het Suez Kanaal komt, Aden aan de andere kant van het Suez kanaal/Rode Zee, Duitse politietrainers in het olierijke Zuid Soedan, een missie in Tsjaad, Kosovo (pijpleidingen) en verschillende EU"observers" in ex-sovjetstaten (pijpleidingen). Al deze operaties zijn duidelijk de praktische uitvoering van het door Solana (mede)geschreven EU-beleid ten aanzien van grondstoffen, waarbij opgemerkt kan worden dat bijvoorbeeld Solana’s adviseur Robert Cooper (ook oud-adviseur van Tony Blair) openlijk filosofeert over de noodzaak van “nieuw liberaal imperialisme”. Dat imperialisme moet worden ondersteund door krachtige militaire middelen. De EU kan niet aan de zijlijn toekijken, zo luidt bijvoorbeeld de conclusie van het vlugschrift Eine neue Ära des Energieimperialismus.
Het uiteindelijk doel, en de uiteindelijke ambitie, van de militaire EU is een “relationship of equals with the United States” zoals denktanken als The European Council on Foreign Relations en de aan de Europese Raad gekoppelde European Union Institute for Security Studies (EUISS) stellen. Daartoe heeft de EU een groot en effectief militair apparaat nodig, met een eigen commando-structuur. De EUISS ziet voor dat die ambities in 2020 (een datum die telkens opduikt in rapporten) realiteit moeten worden. In het boek What Ambitions for European Defence in 2020 (PDF) stelt de EUISS dat het afgelopen moet zijn met de “zachte diplomatie” van de EU en dat de Unie grotere aanspraken moet maken op de “Europese achtertuin” dat, klaarblijkelijk, loopt tot Iran. Een militaire “testcase” in het Midden Oosten sluit de denktank niet uit (Iran).
Wat natuurlijk ontbreekt, en wat tekenend is voor de Brusselse lappendeken van lobby, denktank, industrie en politiek, is de democratische controle over deze stellingen en ambities. Iets wat we ook terug zien bij de Europese dienst voor extern optreden. Verontrustend, daar zaken als oorlog en vrede beter niet overgelaten kunnen worden aan groepen met een financieel belang.
ps:
Een opmerkelijk bijdrage in de EUISS studie komt van de Zweed Tomas Ries. Ries brengt een pyramide-model met aan de top “transnationale kapitaal- en investeerdersgroepen” met 0.5% van de wereldbevolking en onderaan de “bottom billions” met 65%. 65% die eigenlijk onderworpen moeten worden aan “nation building”. Maar Ries ziet niet alleen de klassieke tegenstelling tussen de “haves” en de “have-nots” bij natie-staten, hij wijst tevens op de groter groeiende sociaale ongelijkheid in het “westen”. Om de globale politieke orde te verdedigen moet de elite niet schromen het militair ook “binnenlands” in te zetten.
"US interest in the EU is fading. What is needed then is a serious offer from the EU which the United States cannot refuse. It could do this by offering a stronger military contribution to ongoing operations or by deepening economic and strategic cooperation. But it is not clear if the EU can offer any more. And if it could, would the cost be too great?"
Hier staat dus ondermeer dat het voor Europa een prima optie is, mits financiëel haalbaar, om terwille van het behoudt van degelijke economische en financiële relaties met de V.S. intensiever te gaan meedoen aan oorlogen zoals in Irak en Afghanistan.
Ofwel: Ik mag iemand die ik toch al niet zo graag mag en waarvan ik mij best het een en ander wil toeëigenen, om zeep helpen als iemand anders mij daarvoor betaalt...