In 2008 steeg de olieprijs naar een record van $147 per vat om vervolgens weer in elkaar te donderen naar $40 per vat. Dat was duidelijk niet alleen te wijten aan een gestegen vraag uit China en India. Het was ook niet de schuld van de OPEC, die stiekum de kraan dichthield. De belangrijkste oorzaak van de snelle prijsstijging was speculatie.
Decennialang had de OPEC (lees Saoedie-Arabië) een reserveproduktie-capaciteit. Als men wilde (of als de familie Bush het vroeg), kon Saudi-Aramaco de oliekraan op het veld Ghawar wat verder open zetten en iedere dag 1 miljoen vaten extra op de markt gooien. Maar in de laatste jaren nam het binnenlands olieverbruik in de OPEC-landen toe. Er bleef minder over om te exporteren. In andere landen, Indonesie, Mexico en het Verenigd Koninkrijk piekte de olieproduktie en daarna was er ieder jaar minder te exporteren. De wereldwijde vraag naar olie werd ongeveer gelijk aan de wereldwijde produktie. De prijs van olie begon te stijgen.
Een stijgende koers is interessant voor beleggers. En vanaf 2002 bleef de olieprijs continu stijgen. Oliehandelaren beleefden gouden tijden. Andere beleggers begonnen ook te investeren in grondstoffen. Er kwamen speciale beleggingsfondsen die louter en alleen in de grondstoffenhandel opereerden: Commodity Index Funds. Zijn dat dan de boosdoeners, die de olieprijs lieten exploderen ?
Hoewel de Commodity Index Funds slechts met miljarden dollars speculeerden, was dit voldoende om het delicate evenwicht tussen vraag en aanbod op de oliemarkt te verstoren. De grondstoffen-beleggingsfondsen creeërden een extra (papieren) vraag. Zonder de Commodity Index Funds was de olieprijs nooit zo hoog gestegen.
Maar de Commodity Index Funds handelden in opdracht van andere investeerders: pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en banken. De grote institutionele beleggers gingen in zee met de Commodity Funds op zoek naar hogere rendementen en winsten. Pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen konden lagere premies berekenen en keerden hogere rendementen uit, mede dankzij de stijgende grondstoffenprijzen.
Luchtvaartmaatschappijen, transportmaatschappijen, de argeloze automobilist werden het slachtoffer van die zucht naar grotere winsten. Ten onrechte klaagde men OPEC en de oliemaatschappijen aan. Degenen die het hardste jammerden om de hoge olieprijs, hadden er zelf aan bijgedragen. De Commodity Index Funds zijn slechts de handlangers.
De luchtbel is inmiddels leeggelopen. De grote institutionele beleggers hebben niet de winsten gemaakt waarop ze gehoopt hadden. Sterker nog: de olieprijspiek heeft hen veel geld gekost. Aandelenkoersen zijn gekelderd en ook hun vastgoedportefeuilles worden steeds minder waard. De vraag naar olie is gedaald. De prijs zal voorlopig wel laag blijven, want er is nu weer wat ruimte tussen vraag en aanbod.
De Commodity Index Funds bestaan nog steeds en wachten op nieuwe kansen. Tegenwoordig richten ze zich weer op goud. Maar ze kunnen zich in de toekomst ook wer met de oliehandel bemoeien, dat kan je niet verbieden. Als er economisch herstel komt en de vraag naar grondstoffen weer aantrekt, zullen de fondsen die kansen opnieuw aangrijpen.
Het aanbod van olie wordt nooit meer groter dan in 2008: het zal ieder jaar een beetje minder worden. Vroeger of later (2010, 2011, 2012 ?) zullen vraag en aanbod weer evengroot zijn. We zullen zien of die 147 dollar per vat dan overtroffen gaat worden.
Bron: The Moneyprogramme (BBC)
Het aanbod van olie wordt nooit meer groter dan in 2008: het zal ieder jaar een beetje minder worden.
De hersengarage van Zapruder Inc.
Walvisvet als biobrandstof
Verslaafd aan Russisch aardgas
De les van Libië
Europa geeft Iran schot voor de boeg (en in eigen voet)