Nu Geert Wilders nog steeds de publieke opinie beheerst, de touwtjes stevig in handen heeft en het kabinet bij de minderheidsballen, kunnen we concluderen dat men er nog steeds geen jota van begrijpt wat er precies loos is. Ieder weldenkend mens had gehoopt dat de PVV met het betreden van de bankjes meteen op zijn plaat zou gaan zoals dat met de LPF gebeurde. Maar Wilders is sluw en heeft mede daarom niet gekozen voor verantwoordelijkheid in de regering. Zo hoeft hij geen enkele van de losse kanonnen in zijn partij op ministerposten te zetten en houdt hij als enige lid van de PVV ultieme controle over wat er gebeurt. De rest van zijn partij is stemvee in de kamer wat gedwee doet wat Grote Geert beveelt. Onlangs betoogde filosoof Rob Riemen (vanaf minuut 11) dat Wilders volgens de historische definitie een fascist is en hoewel daar technisch gesproken zeker iets voor te zeggen is, valt ook Riemen in de valkuil waar de gevestigde politieke partijen in vielen die de degens kruisten met Wilders. Sterker nog, hij bezondigt zich zelf aan de polariserende discussietechniek van Wilders door met zulke grote termen te gooien. De historie is zeker belangrijk om iets te begrijpen van de situatie van nu, maar is op veel punten ook weer niet te vergelijken met vroeger. Tegenwoordig staan de oude concepten van “links”, “rechts” en “liberaal” compleet op de schop en zijn veel mensen niet in staat de parallellen te trekken naar een politiek klimaat van 80 jaar geleden. Komt daarbij ook dat de burger van nu een heel andere burger is die ook andere motieven heeft om op iemand als Wilders te stemmen. Eén daarvan is chronische onvrede.
Veel mensen haken af bij de parallel die Riemen trekt in zijn optreden bij Nieuwsuur: hij beschrijft een politiek klimaat dat ten tijde van het Interbellum ontstond in een heel andere maatschappij dan waarin we nu leven. Dat veel elementen van toen nu hetzelfde zijn is wel waar, maar niet het belangrijkste argument om de situatie rondom Wilders in perspectief te plaatsen. Riemen heeft het vervolgens over stijlelementen die lijken op die van Mussolini en de nationaalsocialisten die later verwerden tot de nazi’s, maar dat is zoiets als zeggen dat de Irakoorlog hetzelfde is als de oorlog van de Conquistadores tegen de Zuid-Amerikaanse volkeren. Ja, het zijn misschien beide imperialistische oorlogen, er is sprake van een overheersende wereldmacht in de vorm van agressor en aan beide zijden gaan mensen dood en worden er vervolgens zetbazen neergezet, maar het zegt verder niets over de specifieke context van de Irakoorlog. Zo ook het fascisme van Wilders: je kunt het geen onversneden fascisme noemen zoals we dat kennen van de Duitsers, Italianen en Spanjaarden ten tijde van WOII. De situatie van nu is ook compleet anders en zo ook de voedingsbodem waarop Wilders nu floreert. Riemen’s argument dat de overige politieke partijen, media, academici en intellectuelen het sterk hebben afweten en zo de leegte hebben gecreëerd waar Wilders in kon springen was veel meer valide, maar werd compleet overstemd door het loeiende Godwin-alarm.
Om beter te begrijpen waarom Wilders nu zo succesvol is, moeten we kijken naar de afgelopen decennia en de specifieke volksaard van de Nederlander. Het feit dat Wilders zo succesvol de Kampioen van de Verongelijkten kon worden, lijkt bijna pervers als je ziet hoe goed we het nu hebben in tegenstelling tot Interbellum-Duitsland dat compleet berooid en vernederd achtergelaten werd na WOI. Ja, we zitten nog steeds in een economische crisis, maar desondanks is de levensstandaard van nu hoger dan ze ooit was en toch heerst er veel onvrede in dit land. Eén van de zaken die dit het sterkst illustreert is de normen en waarden discussie die in de laatste jaren is ontbrand. Tijdens de periode Balkenende werd duidelijk dat de Nederlander ondanks zijn hoge welvaart ontevreden is over het verval van de normen in dit land. In zijn boek Het Supermarktparadijs, beschrijft Roland Duong dat Nederlanders vinden dat ons land steeds asocialer wordt en wijzen ze met name naar andere landgenoten als het gaat over wie dan wel die asociaal moet zijn. Automatisch begint men dan te zeuren dat vroeger alles beter was en dat er toen wel orde was en meer respect voor elkaar. Wat deze mensen vergeten is dat onze maatschappij vroeger – en je hoeft hier maar zo’n 100 jaar voor terug te gaan – een stuk hiërarchischer in elkaar zat dan nu. Je had toen een veel duidelijkere gelaagdheid in de bevolking van adel, industriëlen en notabelen, geestelijken en academici en de arbeider. De grote middenklasse zoals we die nu kennen bestond toen nog niet en wordt nu in belangrijke mate gevormd door die arbeider. Door de voortgaande democratisering en de opkomst van de verzorgingsstaat, zijn de onderlinge verschillen tussen de rangen en standen steeds meer weggevallen. Door deze nivellering van de afgelopen decennia staan de Nederlandse burgers veel dichter bij elkaar en hebben vrijwel allemaal de beschikking over ongelimiteerd voedsel, vermaak en luxe.
Nu iedereen meer op gelijke stand leeft dan voorheen, wordt het individu onzekerder over zijn plaats en identiteit binnen de massa burgers. Dat heeft als gevolg dat de onderlinge concurrentie veel groter is geworden; waar men zich voorheen makkelijker in zijn lot schikte. Helemaal met de opkomst van de nieuwe media worden we gebombardeerd met die niet aflatende zucht naar aandacht en erkenning van veel mensen, getuige de vele reality en talentenshows en de social media sites op internet. Iedereen wil zich laten gelden en laten zien niet tot het saaie klootjesvolk te behoren en daardoor groeit de sociale onrust. Dankzij de democratie weet de doorsnee burger niet meer waar hij staat omdat hij zijn plaats niet meer kent. Paradoxaal genoeg gaat men dus vanzelf roepen om de terugkeer naar de tijd waarin dit wel duidelijk en overzichtelijk was en waar toen nog strikte normen en waarden golden. Hierdoor wordt de roep om een sterke leider steeds luider: iemand die op ondemocratische wijze iedereen op zijn plaats zet en de puinhopen opruimt. Enter Geert Wilders.
Wilders weet op briljante wijze deze onvrede te bespelen en te kanaliseren. Hij had een goed voorbeeld aan Pim Fortuyn: de intellectuele dandy die een electoraat aan hem wist te binden wat eigenlijk mijlenver van hem vandaan stond. Die kans werd hem geboden door dezelfde intellectuele elite die zichzelf door de jaren heen in slaap heeft gesust met het poldermodel en de verzorgings(heil)staat. Doordat de klassenstrijd gestreden is en de ontzuiling een feit, hebben partijen die altijd voor specifieke bevolkingsgroepen opkwamen zichzelf overbodig gemaakt. De nivellering waarvoor altijd gestreden werd, is nu realiteit geworden. De noeste arbeider van vroeger bestaat niet meer, de kerken lopen leeg en de kleine ondernemer wordt steeds meer verdrukt door globalisering en schaalvergroting. De partijen die nu hijgend achter Wilders aanlopen hebben in de afgelopen jaren hun voedingsbodem zien opdrogen en zoeken nu wanhopig naar nieuwe electorale gronden. Echter, door hun eigen identiteit en ideologie te verloochenen zijn ze een nog makkelijkere prooi voor Wilders geworden. Hij speelt nu de rol van de sterke leider die de puinzooi gaat ruimen die door de gevestigde partijen zogenaamd is achtergelaten. Hij vergeet voor het gemak dat politieke partijen een afspiegeling zijn van de maatschappij en niet andersom. De burgers hebben de huidige maatschappij grotendeels aan zichzelf te danken en wijzen nu beschuldigend naar de politieke elite. En elite waar Wilders overigens ook al twintig jaar deel van uitmaakt. Het is eerder de veranderende volksaard van onderlinge nijd en afgunst en chronische onvrede die de maatschappij heeft doen veranderen. De zogenaamde geluksparadox, waarbij we volgens Duong ons succes aan onszelf toeschrijven en ons falen aan anderen, draagt hier aan bij.
In dit licht bezien zou het effectiever zijn om de Nederlandse burger die zich aangetrokken voelt tot de hardere lijn en roept om meer respect op straat, rechtstreeks aan te spreken. Veel politici en opiniemakers doen alsof Wilders nu opeens namens deze onvredige groep spreekt en spreken over de hoofden van die burgers heen. Net zoals bij Fortuyn weigert men in te zien dat de maatschappij en haar burgers fundamenteel veranderd zijn en daar hoort dus ook een herbezinning bij in de politiek. Of men geeft de burgers datgene wat ze willen: een duidelijke plaats in de maatschappij, een hardere lijn van hogerhand en minder inmenging van buitenaf. Hoeven we alleen maar de democratie voor af te schaffen, de rest gaat vanzelf.

Tja, beetje LIHOP - MIHOP discussie, hè
Dit was de tijdsgeest voordien: Sex, Drugs and Democracy, van buitenaf bezien.
Misschien ook vals, maar in mijn ogen een stabieler vertrekpunt dan waar we nu ingestort zijn.