“De begraafplaats van wereldrijken”. Tien jaar na de Amerikaanse invasie van Afghanistan lijkt het land aan de Hindu Kush nog niets aan reputatie te hebben verloren. Volgde op de “shock&awe” van 2001 nog een snel succes (dat even snel weer verwaterde), vecht anno 2011 de meest machtige militaire machine ter wereld samen met haar bondgenoten in een van de armste staten ter wereld nog altijd een uitzichtsloze oorlog uit. Afghanistan (of beter geformuleerd: de Pasthun-stammen links en rechts van de zogenaamde Durand-lijn die de kunstmatige grens tussen Afghanistan en Pakistan vormt) laten zich niet onderwerpen. Tenminste, niet door de militaire inzet van de afgelopen tien jaar, of de militaire inzet van de Sovjets, of het British Empire. Hoewel de oorlog in vrijwel alle landen die meedoen aan de Afghanistan-missie van NATO/ISAF (International Security Assistance Force) diep impopulair is en het steeds moeilijker wordt voor (westerse)politici om de mensenlevens en geld verslindende oorlog aan het thuisfront te verkopen, blijft een einde aan de oorlog toekomstmuziek. Immers: “Al Qaida” moet bestreden worden, “Taliban en radicalisering” bevochten, “onze vrijheid” wordt “verdedigd aan de Hindu Kush”, “we doen mee aan een “opbouwmissie"”, of “aan een humanitaire missie”. Maar als tien jaar oorlog in Afghanistan iets duidelijk maakt, is het dat al die argumenten die in verschillende NATO-landen worden aangehaald om de Afghanistan-missie te onderbouwen, niet geholpen worden door de huidige militaire inzet en aanpak. Integendeel.
Jaar na jaar vinden in Europese hoofdsteden “Afghanisten-conferenties” plaats waar “goodwill”, geld en manschappen voor Afghanistan worden beloofd. Jaar na jaar dreigen hongersnoden in Afghanistan. Het land ligt letterlijk aan de voedsellijn van de VN. Donaties blijven hangen in dure bureau’s van NGO’s of bij corrupte Afghaanse politici. Diezelfde “warlord-politci” die gerehabiliteerd door George W. Bush, als dank voor verleende diensten, plaats mochten nemen in de Afghaanse politiek waarmee corruptie meteen “geïnstitutionaliseerd” werd. De miljarden van opbouw-gelden die wel in Afghanistan aankomen, komen ten goede aan een “short-list” van Amerikaanse corporations en een kring van Afghaanse-Amerikanen met excellente connecties.
De Afghaanse boeren die tenminste een deel van het landen zouden kunnen voeden, worden of kapot gemaakt door de import van goedkoop voedsel vanuit het westen, of gaan over tot de poppy-aanbouw waar zij het doelwit worden van verschillende “anti-drugs” operaties van de ISAF. De NATO jaagt liever op de kleine boertjes dan op de werkelijke handelaren en de verschillende heroine-laboratoriums die ondertussen 90% van de heroinemarkt beleveren. Dat deel van de heroine-productieketting is namelijk in handen van de lokale warlords in de provincie, en de nationale warlords in Kaboel, Kandahar, Herat of Mazar-i-Sharif waar de NATO maar al te graag mee samenwerkt.
Op het militaire vlak wisselt met het presidentschap naar Obama de strategie van de Amerikanen van “counter-terrorism” naar “counter-insurgency”. Shape, Clear, Hold and Build. Maar waar 80% van het budget voor de Afghanistanoorlog daarbij op politiek/civiel vlak moet worden ingezet, stroomt 90% van het Amerikaanse geld richting het militaire apparaat. Eind 2010 wordt zelfs het Amerikaanse leger duidelijk dat “Obama’s surge”, het sturen van een extra 100.000 man naar Afghanistan, en de “counter-insurgency” strategie niet werken. Super-ster generaal Petraeus, een veteraan op het gebied van het inzetten van milities in de Irakoorlog, grijpt terug op een mix van “counter-terrorism” en “counter-insurgency”, terwijl het aantal luchtaanvallen in Afghanistan (en Pakistan) wordt opgevoerd. Ondertussen worden de onderhandelingslijnen met de Taliban uitgegooid. Bombarderen, nachtelijke overvallen, martelingen, opsluiting en excecuties, het maakt het optreden van de NATO niet populairder.
De magische sleutel tot het succes van de NATO in Afghanistan is vooral de opleiding van de veiligheidsdiensten, en met name de Afghaanse politie. Zij moeten uiteindelijk het veroverde gebied, na terugtrekking van NATO-troepen of het Afghaanse nationale leger (ANA), houden en controleren. Werd in 2006 nog uitgegaan van een politiemacht van 62.000 man, zullen CSTC-A (Combined Security Transition Command, het Amerikaanse leger), Xe, DynCorp en de Europese missie EUPOL voor 2012 157.000 politieagenten uit de grond stampen. Bij dergelijke aantallen kan men niet kieskeurig zijn, en tijd om een grondige opleiding te geven is er niet. Daarom wordt gewerkt volgens het principe recruit-assign-intend-to-train. Na een zeer korte training, veelal alleen in het omgaan met een vuurwapen, worden de frisse recruiten aan verschillende eenheden toegewezen. Slechts wie geluk heeft, ondergaat de training van acht weken waarin, met kaartjes en modellen, de veelal analfabetische leerlingen de fijne kneepjes van het optreden voor een rechtsstaat wordt bijgebracht.
Dat de kwaliteit van de politiemacht daarbij twijfelachtig blijft, is niet verwonderlijk. Corruptie tiert welig en ondertussen wordt de Afghaanse politie door de Afghaanse bevolking gezien als een bijna groter kwaad als de taliban. Ondanks de soms “Alice in Wonderland"-achtige geluiden uit Den Haag, is de opleiding van het politieapparaat stevig in handen van het Pentagon en heeft de ANP (Afghan National Police) een paramilitaire functie. De agenten dienen als de spreekwoordelijk “kanaries in de kolenmijn” waarbij het er niet toe doet dat in sommige regionen domweg de medestrijders van warlords en drugsbaronnen in een uniform worden gestoken en een geweer krijgen. Hoezeer dat fout kan gaan, toont het nieuwst experiment met de ALP (Afghan Local Police): milities met een politiestempel die moordend, rovend en verkrachtend hun “politietaak” uitvoeren.
Met meer en meer groeperingen die “officieel” bewapend rondlopen, neemt het aantal “getelde” aanslagen door militanten (volgens NGO-Safety Office) in twee jaar tijd toe van 3271 tot 7178. In Afghanistan wordt niet alleen tegen de “taliban” gevochten, maar tegen een lappendeken van groeperingen. De originele Quetta Shura, “nieuw Al Qaida” het Haqqani Netwerk, Gulbuddin Hekmatyar en zijn Hesb-i-Islami, Al Qaida, Islamic Jihad Groep, de Libyan Islamic Fighters Groep (op dit moment weer ingezet in het thuisland Libië), de oost-Turkmenistan Islamic Movement en met de uitbreiding van de oorlog richting Pakistan, de Pakistaanse taliban (met weer een kwartet aan radicale groepen). Tel hierbij op dat een soldaat of politieagent in Afghanistan rond de 200 dollar naar huis brengt terwijl de “taliban” tussen de 300 en 500 dollar wil betalen, en er is meteen een verklaring gevonden voor het enorme aantal Afghaanse desterteurs.
Tien jaar oorlog, tien jaar waarin geen enkele door het westen en haar bondgenoten gestelde doelstelling in Afghanistan is behaald. Geen enkele. Afghanistan is een door burgeroorlog verscheurd land, waar een regering die onmogelijk als “democratisch” kan worden bestempeld een soort “stadhoudermacht” vormt terwijl in de provincies de wetten van de taliban, warlords en de Amerikaanse Special Forces gelden. Hulpgelden verzuipen in het neoliberale zwarte gat van NGO’s en corporations, concessies voor de exploitatie van Afghanistan’s bodemschatten gaan naar de “lachende derde” China, de TAPI-pijpleiding is nog steeds niet gebouwd en wat blijft is een reusachtig Amerikaanse vliegdekschip, bestaande uit de talloze Amerikaanse militaire basissen verspreid door Afghanistan, in de achtertuin van China, Rusland, Pakistan en vooral Iran. De enige strategische “zin” van de Afghanistanoorlog voor de Amerikanen.
Voor de in Afghanistan actieve NATO-landen, die in een meesterzet van de regering George W. Bush de oorlog opgedrongen kregen terwijl de Amerikanen zich op Irak begonnen te concentreren, staat eigenlijk alleen nog de NATO zelf op het spel. Het bondgenootschap mag niet verliezen, of met een blauw oog vertrekken. Alle in NATO-schriften opgetekende strategische doelstellingen, en zelfs de zelfbenoemde “bestaansreden” van de NATO, ligt op tafel in Afghanistan. De internationale lakmoesproef voor een militaire organisatie dat met macht en kracht de (corporatistische) belangen van de lidstaten nu en in de toekomst in den vreemde wil “verdedigen”.
Tien jaar, en “no end in sight”. Niet aan het moorden, niet aan de verspilling, niet aan de gedoemde strategieën, niet aan de kansloze, ondoordachte, bouwmissies.
De hersengarage van Zapruder Inc.
Het ESM-paard staat binnen
George W. & Co. veroordeeld
De massavernietigingsonderbroek
Hoe Italië, Griekenland en België de Euro binnen werden gerommeld